Zengerink (NBOV): ‘Sectorhuis niet nodig’

Samenwerken betekent dat je gezamenlijke doelen hebt voor de toekomst en daaraan werkt. Dat zegt Marie-Hélène Zengerink, directeur van de brancheorganisatie NBOV. Na een carrière in de transport- en logistieksector staat zij nu voor de ambachtelijke bakkerij. En met veel plezier. Inmiddels heeft ze de organisatie flink opgeschud en toekomstbestendig gemaakt. Het stof is weer gaan liggen.
Marie-Hélène Zengerink. Foto Roel Dijkstra Fotografie

Als gisteren herinnert Marie-Hélène Zengerink (53) zich de dag dat ze als directeur binnenkwam bij de NBOV. Het was een doordeweekse dinsdag. Op 20 juni 2017. Gepokt en gemazeld in het verenigingsleven maakte ze kennis met de bakkerijsector. ‘Ik dacht ‘O, wat zijn er ontzettend veel partijen in deze branche.’ Ik ben begonnen om al die partijen op een A4 te zetten en te plaatsen in het speelveld.’

‘Ik voel mij echt prettig in deze wereld. Er is veel mooie kwaliteit, we kennen verschillende smaakgroepen en er is veel visie.’

Zengerink groeide op in verenigingen, eerst als sociaal juridisch
bedrijfsadviseur, daarna als directiesecretaris en via wat zijstapjes kwam ze in het management terecht. De filosofie van het verenigingsleven is haar in het bloed gaan zitten, en vooral het belang van het leveren van toegevoegde waarde aan de leden van die vereniging, zowel op collectief gebied, met bijvoorbeeld een goede cao en toepasbare wet- en regelgeving en vooral ook op individueel gebied: heldere informatie en bruikbare producten en diensten. ‘Een aantal ontwikkelingen die elke branche doormaakt heb ik al meegemaakt. Die kennis heb ik meegenomen naar de bakkerijbranche.’

Je komt uit de veel grotere transport- en logistiekbranche. Heb je dan nu niet het gevoel dat je een stap terug hebt gezet?
‘Nee, integendeel. Hier komen alle facetten bij elkaar. Je schaakt eigenlijk op drie borden: met de overheid, de leden en alle andere organisaties in het middenveld. In deze functie is het een ultieme combinatie, waarbij het contact met de leden en het vertalen van het overheidsbeleid naar deze leden het belangrijkst is. En uiteraard alle zaken die sociale partners met elkaar regelen, naast de cao.’

Zengerink voelt zich inmiddels helemaal op haar plek in de bakkerijbranche. ‘Er zijn ook heel veel parallellen met de sector waar ik vandaan kwam. Zeker ook in het ondernemerschap. Als het gaat om personeelslasten en grondstofkosten heeft het zelfs ongeveer dezelfde verhouding, dus dat maakt het ondernemerschap heel vergelijkbaar. Ik voel mij echt prettig in deze wereld. De ondernemers en de producten zijn mooi. Er is veel mooie kwaliteit, we kennen verschillende smaakgroepen en er is veel visie.’

Duidelijke opdracht

Toen Zengerink in 2017 het stokje overnam, kreeg ze van het bestuur een duidelijke opdracht mee: maak van de NBOV een toekomstgerichte organisatie die meer dan nu naar buiten treedt. Geen gemakkelijke opgave, want dat betekende dat zowel de organisatie als de cultuur op de schop moest. ‘Eigenlijk was er in twintig jaar niet heel veel veranderd’, kijkt Zengerink terug. ‘Als je heel lang een bepaalde koers hebt gevaren en je gaat veranderen, dan levert dat stof op.’

Inmiddels is het stof neergedaald en heeft de directeur, uiteraard in nauw overleg met het bestuur, een flink aantal veranderingen doorgevoerd. De NBOV heeft een nieuwe huisstijl gekregen, waarbij de letter O in NBOV een afwijkende kleur heeft gekregen om het Ondernemerschap nog extra te benadrukken. De leden krijgen steeds vaker branche-informatie via de digitale weg.

Het pand in Gouda heeft een metamorfose ondergaan en is open, helder en kleurrijk geworden. Aan de muren prijken prachtige foto’s van zowel jonge als oudere ondernemers die trots hun producten tonen. Geen statisch poserende mensen in een gesloten houdingen meer, maar vrolijke prenten en open gezichten.

Competenties

Al die wijzigingen betekenen iets voor de organisatie. ‘Kernwaarden en competenties veranderen en daardoor verandert ook het plaatje, omdat zaken anders worden georganiseerd’, legt Zengerink uit. ‘We brengen nu ook onze informatie anders over naar de leden. We hebben eind vorig jaar bijvoorbeeld zes P&O-informatiebijeenkomsten gehouden. Die werden bezocht door zo’n honderd leden, maar dan zijn er altijd nog zo’n 900 die je ook graag wilt bereiken. Van de bijeenkomst hebben we een filmpje laten maken, dat we vervolgens op onze socialemediakanalen hebben geplaatst. Dat was een experiment. Maar het is wel nodig om die veranderslag te maken. We maken ook nog wel boekjes, met ‘10 tips over voedselveiligheid en personeel’ bijvoorbeeld. Maar ik wil niet meer dat we nog informatie afdrukken die al snel achterhaald is. Dat bakkers bijvoorbeeld een tien jaar oude cao uit de kast trekken. Voor dit soort zaken is de website echt de basis. Die informatie is actueel.’

‘Ik wil niet meer dat we nog informatie afdrukken die al snel achterhaald is.’

Zengerink heeft daarnaast de ambitie om meer naar buiten te treden. ‘Instroom, imago en personeelstekorten, dat zijn onderwerpen die we vooral ook buiten de branche moeten communiceren. Allerlei onderwerpen zoals energie of klimaat zijn landelijke of zelfs Europese thema’s, die het voor ons noodzakelijk maken om veel breder te kijken. Wij acteren, met onze rol in het maatschappelijk middenveld, namens de ambachtelijke bakkers richting de overheid en wij moeten overheidsbeleid weer doorvertalen naar onze leden. We werken in dat verband natuurlijk ook wel heel veel samen met andere partijen, zoals bijvoorbeeld met de NVB voor de industriële bakkers.’

Wat Zengerink belangrijk vindt is dat zij met haar ondernemersorganisatie een neutrale rol vervult naar Den Haag en naar de leden. ‘We hebben een aantal taken en die moeten we goed doen. Maar daarnaast hebben we andere organisaties erg nodig. We kunnen natuurlijk niet alles zelf doen. Je moet juist samenwerking zoeken. Alleen ben je snel, maar samen kom je verder’, aldus de directeur.

Toch kwam het Sectorhuis er niet.
‘We werken al heel nauw samen met verschillende partners. Op sociaal vlak doen we dat met de vakbonden en de NVB, maar ook met de andere organisaties werken we samen. De gesprekken over het Sectorhuis zijn gestart vanuit de Nebafa, de NVB
en de NBOV, en werden mede-geïnitieerd vanuit het NBC, een heel belangrijke kennispartner. Het bleek lastig om organisaties met verschillende taken samen te voegen. Er zijn zoveel organisaties dat de diffusiteit van al deze verschillende instanties niet door een Sectorhuis wordt opgelost.

In de branche wordt wel met een vinger gewezen naar de NBOV. Jullie zouden de samenwerking hebben tegengehouden.
‘Nee, dat is absoluut niet waar. Dat soort conclusies trek je samen.’
‘Er is al veel over gezegd. Maar het is flauw om te zeggen: gooi alles maar in één pand en dan zijn alle problemen opgelost. Dat is niet de kern van samenwerking. Bovendien zijn er tal van voorbeelden waaruit blijkt dat samenwonen niet per definitie samenwerken betekent. Daarvoor is meer nodig. Samenwerking vind ik, is dat je gezamenlijke doelen naar de toekomst toe hebt. En niet dat je kijkt naar het verleden. Ik denk dat er te veel verschillen zitten in rollen en taken van de organisaties, waardoor een samenwerking, zoals die toen bedacht is, niet kan. Er is nu eenmaal verschil tussen industriële bakkerijen, ambachtelijke bakkerijen, meelfabrikanten en kennisorganisaties. Niet alleen inhoudelijk, maar ook emotioneel en dat speelt zeker bij verenigingen en veel minder bij organisaties die geen leden hebben zoals NBC.’

Het is flauw om te zeggen: gooi alles maar in één pand en dan zijn alle problemen opgelost

Het is flauw om te zeggen: gooi alles maar in één pand en dan zijn alle problemen opgelost

Ook in haar vorige baan heeft Zengerink te maken gehad met deze problematiek. ‘Vanaf 2000 ging men in allerlei sectoren ineens praten over een sectorhuis. Toen hebben we ook dit spel meegemaakt. En uiteindelijk gingen die organisaties allemaal weer hun eigen weg en zelfs hun eigen pand kopen. En de samenwerking bleef en werd sterker. En waarom? Omdat je kunt uitleggen waar de verschillen zitten en waarom je die verschillende identiteiten niet zomaar op een hoop kunt gooien. Een voorbeeld: we werken samen met Nebafa en de NVB op het Warenwetbesluit, en ook NBC is daarbij betrokken als kennispartner. Dat werkt prima, maar er zitten nu eenmaal ook verschillen in datgene wat daaruit naar voren komt voor de ambachtelijke bakker, de industriële bakker of de grondstoffenleverancier. Het grote gemeenschappelijk belang is goed, om de verschillen tussen de diverse partijen kun je niet heen. En dat hoeft ook niet.

Het Sectorhuis draagt dus feitelijk niet bij aan de samenwerking zoals die er nu al is?
‘Wat ik zei: we werken al heel veel samen. Op het gebied van de cao met de industrie en de sociale partners. En daar kunnen we nog heel veel meer structuur in zoals in vitaliteit, instroom, ontwikkeling en inzetbaarheid. De inzet van de werkgroepen die dat nu gefundeerd vormgeven is daar een goed voorbeeld van. We werken samen aan de cao van de toekomst, een cao die mede moet bijdragen aan verbetering van imago van en instroom in de sector. En daar hebben alle partijen in de sector belang bij. Daarnaast werken we samen met de industrie en de grondstoffenleveranciers op het gebied van de Europese broodcampagne, we werken horizontaal samen met de Echter Bakkers, het Patisserie College en Top Bakkers en een voorbeeld van samenwerking is ook de nieuwe Stichting Bedrijfsopvolging Bakkerij Met de vakbladen werken we samen om informatie voor een breed publiek beschikbaar te stellen. We werken dus heel veel samen, maar we hebben wel allemaal onze eigen rol. De een verkoopt iets, de ander produceert iets.’

Eigenlijk zijn de rollen prima naast elkaar te leggen, maar niet in elkaar te schuiven.
‘Nou, kennelijk niet. Omdat je dan ook een stukje van je eigen identiteit moet loslaten en het is maar de vraag of mensen dat willen, natuurlijk. En of het gefinancierd kan worden. Want wie betaalt het dan? We willen iets nieuws, maar wie neemt het initiatief en wie gaat dat betalen? We moeten dus vanuit een gemeenschappelijke visie die samenwerking vormgeven.’

Binnen de eigen organisatie is Zengerink er vooral op gericht om de leden handvatten te geven die het ondernemerschap dichter bij de ondernemer brengen. Nieuw bijvoorbeeld is de inzet van bedrijfsadviseurs. ‘Ons type onderneming, de bedrijfsgrootte, is gebaat bij hands-on hulp, of het nu gaat om personeelszaken, problemen met de verhuurder of een leverancier of hygiëne-eisen. We moeten bijvoorbeeld ingewikkelde wetgeving vanuit Den Haag in hapklare brokken klaarleggen om te zorgen dat de leden het in hun eigen bedrijf kunnen toepassen. Zaken als de Wet Arbeidsmarkt in Balans blijven gewoon ingewikkeld. Je wilt het makkelijk, helder en leesbaar aanbieden. Of je nu groot bent of klein, niemand zit op ingewikkelde teksten te wachten. Dat doen we steeds meer. Samen met anderen, maar soms ook alleen zoals met de adviseurs, die de ondernemer letterlijk aan de hand neemt. Die hulp is echt nodig. We zullen ook wel moeten als we ondernemers willen helpen om zichzelf in stand te houden.’

Waar staat de NBOV in 2025?
‘Voor de ambachtelijke bakker’, antwoordt Zengerink zonder aarzelen. ‘En dat is drieledig: naar de leden, zodat zij de onderneming goed kunnen voeren, naar de politiek toe, maar ook de uitstraling naar de buitenwereld wordt steeds belangrijker. In allerlei consumentenprogramma’s zoeken ze naar misstanden. Bijvoorbeeld in brood en banket. Het is een populair product, maar toch hebben we heel veel moeite om dat goed naar buiten te brengen. Dat heeft deels ook te maken met het karakter van de ondernemers in Nederland. Wij vinden het al snel heel gewoon wat we doen. Terwijl onze bakkers elke dag weer opnieuw de mooiste dagverse producten maken. Daar mogen we trotst op zijn en dat vakmanschap uitdragen. Eigenlijk is het net als met de foto’s die we nu hebben opgehangen. De tijden zijn veranderd. Ondernemers stralen die trots nu ook veel vaker uit. Consument, publiek en de media moeten nieuwsgierig worden naar wat de bakkerij inhoudt en worden geïnformeerd. Daar ligt ook wel een taak voor de NBOV: voor de ambachtelijke bakker staan en dat ook naar buiten uitstralen.’

‘Bakkers vinden het al snel heel gewoon wat ze doen. Ze mogen trotser zijn en het vakmanschap meer uitdragen’

Een ander onderwerp dat bij de NBOV hoog op de agenda staat is bedrijfsopvolging. ‘Bedrijfsopvolging is een hot item, dat blijkt wel uit de stichting Bedrijfsopvolging waarin vele partijen samenwerken. Er zijn veel 50-plussers werkzaam in de bakkerij. We zoeken nieuwe ondernemers, maar vast staat dat de markt zal veranderen. Uiteraard hoop ik dat de bakkerij in het straatbeeld blijft bestaan. En dat zal ook wel zo zijn. De consument van nu eet anders. Brood wordt steeds minder bij het ontbijt gegeten, maar het wordt wel steeds meer onderdeel van de maaltijd. Daarop moeten ondernemers inspelen. In het jaarplan schreef ik al ‘van product naar concept denken’. En ja, daar staan we voor.’