artikel

Van brutoloon naar kostprijsloon

Strategie

De focus moet liggen op omzet, maar beheersing van loonkosten blijft belangrijk. Hoe zit het ook weer met productiviteit en loonkosten?

Van brutoloon naar kostprijsloon
Het resultaat van een bakkersbedrijf staat of valt met een juiste loonsom in relatie tot omzet en brutowinst. Foto: Shutterstock

Onlangs zat ik met een groep jonge bakkers om tafel en ging het over loonkosten. Het resultaat van een bakkersbedrijf staat of valt met een juiste loonsom in relatie tot omzet en brutowinst. We berekenen de loonkosten als percentage van de brutowinst en niet van de omzet. Door de loonkosten inclusief gewaardeerde beloning te nemen op de brutowinst houd je impliciet rekening met inkoop van halffabrikaten of gereed product. Als de inkopen hierdoor hoger zjjn, moeten de loonkosten als percentage van de omzet dalen. Dit lijkt een vanzelfsprekendheid, maar is dat niet altijd. Met inkoop denkt men arbeid te besparen, maar vaak blijven dezelfde uren ‘staan’. Gevolg: een lagere brutowinstmarge bij gelijkblijvende loonkosten. Deze mogen maximaal ca. 57,5 procent van de brutowinst bedragen bij een jaaromzet hoger dan €1.500.000,-. Bij een lagere omzet kan een percentage van 60 procent worden aangehouden.

Productiviteit

Het bovenstaande kental laat zich alleen berekenen als er periodecijfers op tafel liggen. Productiviteit is een goede manier om tussentijds de vinger aan de pols te houden. De productiviteit wordt berekend door de omzet van een activiteit (winkel, broodbakkerij of banketbakkerij) te delen door het aantal uren dat daaraan wordt besteed. De uitkomst kan worden getoetst aan een publicatie over loonkosten die Beko Advies en Flynth jaarlijks uitbrengen. Meestal wordt de productiviteit per week berekend, maar soms is het nodig om het per dag en soms zelfs per uur in beeld te brengen. Toch is het volgen van alleen de productiviteit niet voldoende. De productiviteit kan goed zijn terwijl de loonkosten desondanks boven de norm liggen. Veelal heeft dit te maken met de samenstelling van het personeelsbestand. Er moet een juiste mix zijn tussen oud en jong, ervaren en niet ervaren. Niet alle werkzaamheden in de bakkerij hoeven door vakbekwame medewerkers te worden verricht. Nu is het niet zo dat een ‘scheef loongebouw’ van vandaag op morgen is recht te breien, maar elk toekomstig besluit over aanname van personeel kan in het licht van die wetenschap beter gefundeerd worden genomen.

Bij aanname van een medewerker wordt deze ingeschaald volgens de Orba-systematiek. Een Broodbakker II wordt ingeschaald in schaal 4. Met vijf functiejaren betekent dit een bruto uurloon van €13,53. In de tabel zijn de kosten van die medewerker uitgerekend. In de kolommen 3 en 4 is uitgegaan van een Assistent Ambachtelijke bakkerij II van 19 jaar. Deze behoort in schaal 2. Omdat deze persoon nog geen 20 jaar is, hoeft nog geen pensioenpremie te worden betaald en zijn de werkgeverslasten lager (ca. 19 procent). Bij de berekening van het kostprijsloon houden we ook rekening met vervanging van de medewerker door verlof of ziekte. Over het algemeen wordt hiervoor een percentage van 10 procent gehanteerd. Uit de tabel wordt duidelijk dat het verschil tussen een volwaardige kracht en een bakkerijhulp in kosten twee maal zo groot is. In de laatste kolom is de vermenigvuldigingsfactor vermeld.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels